Column: Baat ‘t niet…

Geplaatst: 8 augustus 2010

‘Traag recht is geen recht.’ Dat is de eerste gedachte die bij me opkomt bij de uitspraken die de Hoge Raad onlangs heeft gedaan inzake de Bredase baatbelasting. Inzet van de procedure waren aanslagen over het jaar 1996! Voordat we lacherig doen over eindeloze procedures in bijvoorbeeld Italië, mogen we ons dus wel eens realiseren dat wij er in sommige gevallen ook veertien jaar over doen alvorens Vrouwe Justitia haar beslissende oordeel geeft. Niet bepaald reclame voor onze rechtstaat. Behalve vanwege de absurd lange duur is deze procedure om nog meer redenen interessant. Allereerst vanwege de ruimte die gemeenten wel of niet hebben om geld op te halen bij hun burgers en bedrijven. In het Bredase geval ging het om medefinanciering van een grondige opknapbeurt van het centrum. Die kostte in totaal 16 miljoen euro en de gemeenteraad bepaalde dat 4,5 miljoen daarvan door de ondernemers in de binnenstad moest worden opgebracht. Die zouden immers voordeel (‘baat’) hebben bij de operatie. Ondanks instemming van een ondernemersvereniging tekenden vele bedrijven bezwaar en beroep aan. De Hoge Raad heeft nu uiteindelijk beslist dat de kosten van een nieuwe en duurdere inrichting van het openbare gebied niet op de aanpalende eigenaren kan worden verhaald. Baatbelasting kan alleen worden opgelegd voor nieuwe voorzieningen, zoals een weg of riolering in het buitengebied. Alom in den lande wordt momenteel rekening gehouden met grote kortingen op de rijksuitkering aan gemeenten. Het nieuwe kabinet – als dat er ooit nog komt, maar dat terzijde! – zal nagenoeg zeker een substantieel deel van de noodzakelijke miljardenbezuiniging doorschuiven naar de gemeenten. Die gemeenten hebben vervolgens nauwelijks financiële speelruimte: verhoging van de ozb levert sinds de afschaffing van het gebruikersdeel minder op en komt alleen terecht bij eigenaren en bedrijven, leges mogen maximaal kostendekkend zijn en de hondenbelasting zet natuurlijk ook geen zoden aan de dijk. Voor gemeenten met grote ambities op het gebied van centrumontwikkeling blijft er dan niet veel over, nu ook de baatbelasting flink ingeperkt is. Een tweede interessant aspect betreft de reikwijdte van een rechterlijke uitspraak. Breda heeft bekendgemaakt de aanslagen te gaan terugbetalen aan de negen ondernemers die tot in hoogste instantie hebben geprocedeerd plus de 22 bedrijven van wie het beroep is aangehouden in afwachting van de beslissing van de Hoge Raad. Daarnaast hoeven circa dertig ondernemers met wie een gespreide betaling was afgesproken, de resterende termijnen niet meer te voldoen. In totaal gaat het om 1 miljoen euro. Een belangrijk deel hiervan is rente, dus bijna 4 miljoen onterecht ontvangen baatbelasting blijft gewoon in de gemeentekas. ‘Hadden ze maar bezwaar en beroep moeten aantekenen,’ zegt de gemeente en op zich is dat volstrekt juist. Een belangrijk juridisch principe is dat we niet eindeloos op zaken kunnen terugkomen. Een belastingaanslag waarvan de bezwaartermijn is verlopen blijft geldig, ook als de rechter later in een ander geval een gunstig standpunt inneemt. En toch knaagt het aan het rechtsgevoel, zeker nu het de doorzetters 14 jaar heeft gekost om hun recht te halen. In een geval als dit zou de overheid alles op alles zetten om bezwaar en beroep zo laagdrempelig mogelijk te maken en zo snel mogelijk tot de einduitspraak te komen.