Column: Die rare box 3
Geplaatst: 25 januari 2011
Binnenkort is het weer aangiftetijd en kunt u weer gaan stoeien met de boxen. Box 1 is de grote vergaarbak en is voor nagenoeg iedereen van toepassing. Box 2 geldt voor aandeelhouders van BV’s. En dan komen we aan box 3, waar globaal een op de vijf huishoudens mee te maken krijgt. We kennen box 3 alweer ruim tien jaar maar desondanks blijft het een vreemde regeling. Box 3 belast namelijk niet het feitelijk genoten inkomen uit vermogen, maar een forfaitair (en vaak ook fictief) inkomen. De vaststelling van de belastinggrondslag voor box 3 gebeurde tot en met 2010 door het vermogen per 1 januari op te tellen bij dat per 31 december en dan te delen door twee. Vanaf 2011 is er nog maar één peildatum: 1 januari. Dit is een vereenvoudigingsmaatregel, niet zozeer voor de belastingbetaler maar vooral voor de overheid zelf. De Belastingdienst wil verder met de vooringevulde aangifte en daarin moeten ook de bezittingen en schulden van box 3 zo volledig mogelijk worden opgenomen. Men blijkt geruime tijd nodig te hebben om de enorme stroom aan gegevens van onder andere banken en verzekeringsmaatschappijen te verwerken in de vooringevulde aangiften. Door voortaan alleen het vermogen op 1 januari relevant te laten zijn, wint men een jaar.
Box 3 kent een algemene vrijstelling van ruim twintigduizend euro per persoon (plus toeslagen voor kinderen en ouderen) en specifieke vrijstellingen voor een aantal soorten beleggingen. Komt je vermogen daarbovenuit, dan begint de kassa te rinkelen. De fiscus doet net of je vermogen vier procent rendement heeft opgeleverd en wil daar dertig procent van opstrijken. Per saldo dus 1,2 procent van het vermogen boven de vrijstelling(en). Hoe hoog het inkomen (rente, dividend, huur, waardestijging) werkelijk was, doet totaal niet terzake. Sterker nog, ook als er zwaar verlies is geleden, blijft de belastinginspecteur gewoon vier procent rendement rekenen.
Box 3 was een van de belangrijkste noviteiten in de Belastingherziening 2001 en heeft destijds veel kritiek gekregen. Velen vonden (en vinden) het principieel oneerlijk om uit te gaan van een verondersteld inkomen en vinden dat het werkelijke rendement moet worden belast. Ook is wel bepleit om het rendement van box 3 variabel te maken of te differentiëren al naar gelang de soort belegging. Al deze voorstellen zijn gestrand en box 3 is nog steeds een van de pijlers van onze inkomstenbelasting. Goed beschouwd is het vreemd dat dat nauwelijks maatschappelijk verzet oproept. De wetgever ging er destijds vanuit dat u en ik, bezien over een wat langere periode, gemiddeld wel vier procent rendement op ons vermogen zouden moeten kunnen behalen zonder dat we daar (veel) risico voor hoeven te nemen. De werkelijkheid is een andere: op een spaarrekening is nauwelijks meer rente te halen dan twee procent. Minus de inflatie van 1,3 procent (2010) en de box 3-heffing van 1,2 procent teer je per saldo een half procent in. De gedachte achter box 3 is dat goede en slechte jaren elkaar afwisselen en dat je gemiddeld genomen wel een reële belasting betaalt. Dat idee begint echter zwaar aan overtuigingskracht te verliezen als de geschetste situatie van interen zich jaren achtereen voordoet.








Wil Vennix, fiscaal vennoot bij De Beer Accountants & Belastingadviseurs, schrijft al ruim tien jaar fiscale columns voor diverse dagbladen. Aanvankelijk voor Brabants Dagblad, sinds 2007 ook voor de overige Wegener-dagbladen. Naast Brabants Dagblad zijn dat Eindhovens Dagblad, BN-deStem, Twentsche Courant Tubantia, De Stentor, De Gelderlander en de PZC (totale oplage plm. 850.000). Elke vier weken publiceert Wil een artikel, waarin op toegankelijke wijze verslag wordt gedaan van actuele ontwikkelingen op het gebied van belastingen.