Column: Laag btw-tarief levert werk op

Geplaatst: 5 oktober 2010

Een kennis van me heeft al jaren ruzie met zijn vrouw omdat hij de beloofde verbouwing van de badkamer eindeloos voor zich uit blijft schuiven. De verlaging van het btw-tarief op verbouwingen naar 6 procent heeft hen beiden erg gelukkig gemaakt. Hij verkondigt overal dat hij met zijn verstandige uitstel een flinke besparing heeft bereikt. En zij is blij dat de verbouwing voor 1 juli volgend jaar klaar moet zijn. Eindelijk een harde deadline! Afgaande op de publiciteit eromheen is de btw-verlaging nu al een groot succes. Het is duidelijk dat de bouwsector een stimulans als deze erg goed kan gebruiken. Zonder een zwartkijker te willen zijn, zie ik toch ook een aantal beren op de weg. Zo’n maatregel oogt op het eerste gezicht uiterst simpel: ‘het btw-tarief op arbeidskosten terzake van renovatie en herstel van woningen wordt tijdelijk verlaagd van 19 naar 6 procent’. Maar achter deze ogenschijnlijk simpele zin zit een wereld van onduidelijke begrippen en verschillende interpretaties. Neem het begrip ‘woning’. Iedereen ziet wel het verschil tussen een fabriek en een woonhuis, maar hoe zit het met een bejaardentehuis? En hoort een garage bij de woning? Of het zwembad en de schutting? Over het begrip ‘renovatie en herstel’ zijn vergelijkbare vragen te stellen en de splitsing van een factuur over arbeidskosten (6 procent) en materiaalkosten (die blijven gewoon 19 procent) is natuurlijk evenmin eenvoudig.Wat doet een aannemer die door zijn (potentiële) klant onder druk wordt gezet om de factuur wat aan te passen, zodat er meer onder het tarief van 6 procent valt? Blijft hij de regels correct toepassen of buigt hij mee om de broodnodige opdracht niet aan zijn minder precieze concurrent te verliezen? Dat alles is nog kinderspel als we bedenken hoeveel gedoe de tijdelijkheid van de maatregel kan veroorzaken. De tariefverlaging geldt immers voor alle renovatie- en hersteldiensten die in de maanden oktober 2010 tot en met juni 2011 zijn ‘afgerond’. Het begrip ‘afronden’ is door opdrachtgever en aannemer flink te beïnvloeden. Het gaat kort gezegd om de slotfactuur na de definitieve oplevering. Is uw badkamer drie maanden geleden gerenoveerd, maar heeft de aannemer ondanks tig telefoontjes pas deze week tijd om de douchedeur te komen afhangen, dan heeft u – bij nader inzien – geluk. De werkzaamheden worden dan immers nu pas afgerond en dus valt het arbeidsloon van de totale klus met terugwerkende kracht onder het 6-procenttarief. De te veel betaalde btw op de tussenfacturen krijgt u gewoon terug. Rond 1 juli 2011 zal een vergelijkbaar circus op gang komen, maar dan in omgekeerde richting. Opdrachtgevers zullen hoe dan ook de verbouwing uiterlijk 30 juni afgerond willen zien. Lukt het de aannemer niet de klus voor die datum te klaren, dan dreigt het totale arbeidsloon alsnog 13 procent duurder te worden. Ik zou daar bij de opdrachtverlening alvast rekening mee houden en desnoods bedingen dat het contract kan worden beëindigd als de werkzaamheden op 30 juni niet zijn afgerond. Een stevige boete op te late aflevering kan natuurlijk ook, maar dan zou ik me wel goed verdiepen in de definitie van het begrip ‘werkbare dagen’. Kortom, deze maatregel lijkt me niet alleen positief voor de werkgelegenheid in de bouw. Ook voor medewerkers van de belastingdienst, advocaten, adviseurs en rechters kan het heel wat extra werk gaan opleveren. Of was dat niet de bedoeling?