Column: Ondernemers stimuleren…of pesten?
Geplaatst: 15 november 2010
Op Prinsjesdag is naast de Miljoenennota ook het Belastingplan 2011 gepresenteerd, met daarin de fiscale wetswijzigingen voor komend jaar. Het – vorige, toen nog demissionaire – kabinet kondigde daarin nieuwe maatregelen aan om het ondernemerschap in ons land te stimuleren. Dat is niets nieuws, want al jaren steekt het kabinet uitgebreid de loftrompet over ondernemend Nederland en worden nieuwe gunstregelingen ingevoerd en bestaande verder verruimd. En toch zullen vele ondernemers zich – zoals dat hedentendage heet – “niet in dit positieve beeld herkennen”. Een belangrijke oorzaak daarvan is in mijn beleving dat de fiscale wetten vaak onnodig strikt wordt uitgevoerd. De royale bedoelingen bij de invoering van de wet worden in de praktijk maar al te vaak ondergesneeuwd door een onwillige en benepen uitvoering, die erop gericht lijkt te zijn om de reikwijdte van de wettelijke tegemoetkoming zo beperkt mogelijk te houden.
Van de vele mogelijke voorbeelden van onnodig beperkende wetstoepassing noem ik er een die recent de aandacht kreeg. SP-kamerlid Farshad Bashir trok ten strijde tegen de aftrek van bedrijfskosten die in zijn ogen puur vrijetijdsbesteding van de ondernemer zijn: “Tegenwoordig kun je het zo gek niet bedenken of je kunt het aftrekken, de ene keer onder de noemer sponsorkosten, de andere keer onder de noemer representatiekosten. Denk maar aan kaarten voor een VIP-box, dure zeiltochten, racen op het autocircuit, de rotaryclub, noem maar op.” Da’s duidelijke taal en daarmee vertolkt de socialistische politicus ideeën die ook onder belastingsinspecteurs welig tieren. Maar daarmee heeft hij nog geen gelijk, integendeel! Bashir geeft namelijk een uitermate vertekend beeld van de werkelijkheid. De échte werkelijkheid is dat ten eerste de wet een aantal beperkingen stelt aan de aftrek van dit soort kosten. Ten tweede is volstrekt helder dat kosten die niets met de onderneming te maken hebben, niet aftrekbaar zijn, punt uit. Maar als de kosten wél in de zakelijke sfeer liggen, is het primair de ondernemer die bepaalt welke kosten hij maakt en tot welk bedrag. De inspecteur mag dat hooguit marginaal toetsen en mag niet op de stoel van de ondernemer gaan zitten. Gelukkig maar, want dat kan alleen maar leiden tot wijsheid achteraf, in de zin van: “Die investering had u beter niet kunnen doen, meneer.” Daar wordt niemand wijzer van, laat de ondernemer vooral ondernemen.
Verder hoop ik dat een advocaat of bankmedewerker die op de golfbaan rondloopt, dat niet met tegenzin doet. Dat hoop ik namelijk ook van de machinist die de trein bestuurt en de bakker die ’s ochtends vroeg ons brood bakt. Maar ook als je er plezier aan beleeft, is het nog wel werk! Het is eerst en vooral het bedrijfsbelang dat deze man of vrouw de golfbaan op stuurt, puur omdat het in die functies nuttig of misschien zelfs wel noodzakelijk is om daar te netwerken en relaties te onderhouden. Ik kan het niet anders typeren dan als sociale jaloezie als men hier tegen ageert. Natuurlijk moeten excessen bestreden worden en mag men scherp zijn op verkapte privékosten. Maar om de aftrekbaarheid van kosten die gewoon horen bij de in die branches normale bedrijfsvoering ter discussie te stellen, puur omdat de ondernemer of medewerker aan die activiteiten mogelijk plezier beleeft, is populistisch, om niet te zeggen tendentieus. Dan stimuleren we het ondernemerschap niet, dan zijn we gewoon ondernemertje aan het pesten.








Wil Vennix, fiscaal vennoot bij De Beer Accountants & Belastingadviseurs, schrijft al ruim tien jaar fiscale columns voor diverse dagbladen. Aanvankelijk voor Brabants Dagblad, sinds 2007 ook voor de overige Wegener-dagbladen. Naast Brabants Dagblad zijn dat Eindhovens Dagblad, BN-deStem, Twentsche Courant Tubantia, De Stentor, De Gelderlander en de PZC (totale oplage plm. 850.000). Elke vier weken publiceert Wil een artikel, waarin op toegankelijke wijze verslag wordt gedaan van actuele ontwikkelingen op het gebied van belastingen.